Postadres:
Postbus 2800
3000 CV Rotterdam
Door welke vreemde samenloop van omstandigheden ook, bij zijn leven heeft Michaël Zeeman de Pierre Bayle prijs voor Cultuurkritiek niet gekregen. Dat valt tot groot verdriet van het bestuur van de Pierre Bayle Stichting niet meer goed te maken. Voor deze prijs stelt de stichting geen aparte jury in maar daarover beslist het bestuur zelf.
Voor het jaar 2010 kwam het bestuur unaniem tot de beslissing de prijs aan Michaël Zeeman toe te kennen, voor de breedte en de diepgang
van zijn kunstkritische en essaystische werk en het grote culturele verantwoordelijkheids-gevoel dat daarin besloten ligt. Dat Michaël nog heeft kunnen vernemen de prijs te zullen krijgen is een schrale troost voor het feit dat hij er nu niet meer is om hem in ontvangst te nemen.
Geen jury betekent in formele zin ook geen juryrapport. Niettemin beschouwt het stichtingsbestuur de hierna volgende tekst als een reflectie op de overwegingen die tot zijn besluit hebben geleid. Deze tekst is een persoonlijke en is geschreven in het besef dat de veelzijdigheid van Zeeman ook tot heel andere formuleringen had kunnen leiden.
De auteur van deze laudatio is door het bestuur geheel vrij gelaten in zijn benadering.
Ik ontmoette Michaël Zeeman voor het eerst in 1987. Hij was net in dienst getreden van de Rotterdamse Kunststichting en ik was plaatsvervangend hoofd geworden van de afdeling Kunstzaken op het Rotterdamse stadhuis. Michaël volgde Martin Mooij op, de legendarische grondlegger van Poetry International, het bekendste literatuurfestival van Nederland. Michaël Zeeman baarde al meteen opzien door in pak met stropdas op het stadhuis van Rotterdam te verschijnen, terwijl ruim tien jaar eerder de jonge generatie van met name PvdA-raadsleden het dragen van formele kleding had afgeschaft. Hij viel dus direct op.
Maar zijn uiterlijke verschijning was daarvoor niet de enige reden. Bij de Kunststichting veranderde het letterenbeleid – het verschoof van schrijverssubsidie naar de ondersteuning van literatuur. Was Martin Mooij groot geworden door zijn persoonlijke steun aan auteurs die altijd wel konden rekenen op een financieel duwtje in de rug, onder Zeeman stond vooral centraal wát er geschreven werd, niet wie dat deed. Dat ging natuurlijk niet zonder slag of stoot.
De aanleiding voor mijn eerste echte kennismaking met Michaël Zeeman was de naamgever van de prijs die hem nu postuum wordt uitgereikt: Pierre Bayle. In 1988 ontving de gemeente een brief van de burgemeester van een klein Frans dorpje, le Carla-Bayle, met het voorstel tot het aangaan van een verbintenis, gelijkend op een zusterstadrelatie. Burgemeester Jean-Luc Couret, in het dagelijks leven fysiotherapeut, begreep ook wel dat de verhoudingen ietwat scheef lagen – le Carla-Bayle telt 300 inwoners – maar zouden we toch op de een of andere manier niet moeten markeren dat de grote filosoof Pierre Bayle in de ene gemeente was geboren en in de andere overleden? Binnen het stadhuis was eerlijk gezegd nauwelijks tot geen kennis aanwezig over de Verlichting, de Franse hugenotenvervolging, laat staan de filosoof Bayle, wiens naam verbonden was met een belangrijke prijs die de RKS eens in de zoveel tijd uitreikte.
Het verzoek meteen afwijzen vonden we bij de afdeling Kunstzaken een beetje te bot, en in dat soort situaties werd al snel een beroep gedaan op de inzichten en het advies van de Kunststichting, en dus in dit geval op Michaël Zeeman. En dat hebben we geweten. Zeeman betoogde met kennis van zaken dat Rotterdam 26 zusterstadrelaties had die allemaal min of meer waren gebaseerd op economische samenwerking en dat er best ruimte was voor één die uitdrukking gaf aan de verbondenheid door een hogere waarde. Hij legde het verband tussen de belangrijkste voorloper van de Verlichtingsfilosofen Bayle en de maatschappelijke ontwikkelingen in de grote welvaartssteden in de tweede helft van de 20e eeuw en de diaspora van de Maghreb.
Het college, en vooral burgemeester Bram Peper waren onder de indruk en – om een lang verhaal kort te maken – Rotterdam is sinds 1990 verbonden met een dorp in de Ariège van 300 inwoners door een edict van eeuwigdurende vriendschap. Michaël Zeeman leverde de bouwstenen voor de speech die ik ter gelegenheid van het ondertekenen van het edict moest schrijven over het belang van de Grande Arche des Fugitifs die Pierre Bayle in Holland en in Rotterdam zag en die in die jaren ’80 van de vorige eeuw de eerste tekenen van slijtage was gaan vertonen. Het edict werd geschreven op perkament en getekend door beide burgemeesters ten overstaan van een volle Burgerzaal van het Rotterdamse Stadhuis.
Dat moment was het eerste optreden van Michaël Zeeman in de Rotterdamse cultuurpolitiek en het markeerde een belang dat de betekenis van het verdrag ontsteeg: Rotterdam wist wie de nieuwe secretaris Letteren van de Rotterdamse Kunststichting was en vooral wat hij in zijn mars had.
Cynisch tegenover macht, scherp tot op het bot bij onoprechtheid en genereus voor elk spoor van schoonheid. Teksten, soms vluchtig als dagbladjournalistiek, vaak eeuwig als de traktaten van een kerkvorst. Michaël Zeeman hakte zich een weg naar het beeld zoals wij dat nu van hem kennen. Erudiet, vlijmscherp in zijn oordeel – positief of negatief –, een briljant stilist, begenadigd en soms meedogenloos redenaar en gespreksleider. Een man die de 21e eeuwse synthese was van Busken Huet en Ter Braak, van Michel de Montaigne en Samuel Pepys, een homo universalis van de romantiek die tegelijk het amusementsmedium televisie ogenschijnlijk met het grootste gemak naar zijn hand zette. De betekenis van Michaël Zeeman voor de Nederlandse essayistiek is niet te overschatten. Hem te eren met een prijs voor de cultuurkritiek is een te smalle basis voor het oeuvre dat hij heeft nagelaten.
Zeeman trok zich van grenzen, letterlijke en figuurlijke, weinig aan. Even gemakkelijk als hij een recensie schreef over een complexe ideeënroman of een essay over godsdienst, zo goed geïnformeerd en helder analyseerde hij maatschappelijke of politieke kwesties, ongeacht het land of de samenleving waarin zij zich voordeden. Met die breedte, die wij kennen van Hermans en Kousbroek verwierf hij zich een centrale positie in de Nederlandse en internationale essayistiek en polemiek. Maar niet alleen daarmee; de uniciteit van Michaël Zeeman was dat hij die brede waaier van belangstelling en deskundigheid verbond met een eloquentie die zeldzaam is in de Nederlandse letteren.
Een prijs toekennen is een afweging maken, zelfs als het keuzeproces eenvoudig is. Maar aan Michaël Zeeman is het bestuur van de Pierre Bayle Stichting een motivering verplicht. Niet door een competitieve beschrijving van de kring van kunstkritische en cultuurpolitieke commentatoren waarin Zeeman zich bewoog of een poging tot duiding van de stand van de bijdragen van de vaderlandse intelligentsia aan het maatschappelijke, cultureel en politiek discours. Dat past minder in een juryrapport. Overigens zou het bestuur dan onvermijdelijk met de laureaat zelf in discussie gaan.
Michaël Zeeman wordt geëerd voor zijn werk en positie, ook door een oordeel over het werk van anderen, dat is het wezen van onderscheiden. En als waar zou zijn dat de stand van die kritiek zo abominabel is als Zeeman beweert, verliest deze prijs zijn glans. Zelfs eenzame hoogte wordt gemeten aan het omringend landschap.
‘Het woord eruditie’, schrijft hij op 25 juli 2004 in een brief aan Abdelkader Benali, ‘betekent in het huidige Nederlandse spraakgebruik dat je meer weet dan iemand die actief lid is van de PvdA, op de NRC Roddelblad-redactie werkt of mbo heeft. Het betekent, kortom, niks meer.’ Het is de polemische toon uit Mandarijnen op zwavelzuur die hem meesleept in een beeld dat onrecht doet aan een aantal commentatoren, wetenschappers, schrijvers en journalisten van hoog niveau met wie Zeeman soms ook intiem bevriend was. En het is ook niet waar. Immers, het is niet het vermeende ontbreken van een intellectuele bovenlaag dat Nederland tot een vreemde uithoek van het Avondland bestempelt, het is de zucht naar egalitarisme die het vaderland uiteindelijk de das zal omdoen. ‘De constante levensstroom en vorming van een maatschappelijke elite is ontdaan van haar systematiek en oogmerk, zij is losgemaakt van de traditionele maatschappelijke geledingen en voor zover zij zich nog voordoet, aan haar lot overgelaten. Ik denk dat Nederland een van de weinig landen in de wereld is waarin het begrip “elite” inmiddels een zuiver pejoratief begrip is geworden, “elitair” een scheldwoord. Dat die zorgeloosheid en afkeer samen een wonderlijk effect hebben op de rol van de staat in ons leven en op onze betrokkenheid bij die staat is collateral damage, waarvan de uitwerking op termijn naar mijn taxatie lelijk wordt onderschat’, zegt hij , vele malen minder polemisch en haarfijn analyserend in Scheef elke schacht, gebarsten het kapiteel, zijn Forumlezing uit 2007. Niet het ontbreken van een elite, maar het al jarenlang veronacht-zamen en verwerpen ervan, is het probleem. Tegen de geschriften van deze elite dient het werk van Zeeman te worden afgemeten en krijgt het zijn glans.
Een juryrapport is geen psychoanalytische verkenning en de vraag waar het begin ligt van een succesvolle loopbaan in de letteren, moet niet worden gesteld om de ‘vent’ Zeeman te benoemen, maar om de ‘vorm’ van zijn oeuvre te duiden. Zijn het alleen de boeken, boeken, boeken en meer boeken uit zijn jeugd die de vluchtweg opende naar de grote wereld?
Nee, Michaël Zeeman was niet alleen lezer. Zijn het de adviezen waarin werk wordt beoordeeld op basis van de vraag of er subsidie aan dient te worden verstrekt?
Ook niet, want Michaël Zeeman was behalve adviseur vooral commentator. Zijn het de stukken in de krant die het werk zijn positie en betekenis in de Nederlandse literaire en intellectuele wereld geven?
Een simpele verwijzing naar de optredens van Michaël Zeeman in televisieprogramma’s, fora en panels maakt duidelijk dat hem ook heel andere middelen ten dienste stonden om zijn opvattingen, vragen, kanttekeningen en visies een centrale plaats te geven in het culturele en maatschappelijke discours.
Het is de combinatie van dat alles die het oeuvre van Zeeman zijn unieke vorm, functie en betekenis geeft. Het is het werk van een journalist, van een ‘man of letters’. Michaël Zeeman is eigenlijk nooit iets anders geweest. Willem Otterspeer noemt Michaël in een biografische schets in de postuum verschenen bundel Aan mijn voormalig vaderland een ‘writer at large’ en dat is de beste aanduiding voor de literator Zeeman. Er is geen onderwerp, behoudens wellicht sport, dat hem niet inspireerde tot een tekst. En als kunstcriticus besprak hij nagenoeg alle disciplines en vormde zich al doende een breed oordeel over kunst, van architectuur tot muziek en van beeldende kunst tot literatuur. Er zullen weinig niet-muziekcritici zijn die een tiental uitvoeringen van de Matthäus Passion thuis hebben en ze allemaal beluisteren om de verschillende kwaliteiten te horen. Of als hij de kracht en de betekenis van de schilderijen van Mark Rothko analyseert: ‘Hij paart een streng formalisme aan een mystieke opvatting; die twee hoeven elkaar niet uit te sluiten en dat komt doordat hij rekent op een bijzondere samenwerking tussen de kunstenaar en zijn publiek. Het formalisme hoort bij zijn atelier, de medidatieve kant bij de tentoonstelling: het is zo zuiver en zo extatisch als barok-muziek, diepe emoties gevat in strenge regels aangaande compositie en uitvoering’.
Als essayist volgde Michaël Zeeman het Nederlandse cultuurdebat en de cultuur-politiek in alle thema’s en verschijningsvormen en ging die gaandeweg meebepalen. Van het licht triviale verschijnsel dat oude mannen verliefd worden op jonge meisjes dat Erasmus in zijn Lof der Zotheid hekelt en waar Michaël schijnbaar moeiteloos een actueel perspectief op geeft, tot aan een vermanende oproep aan politici om het werk van de filosoof John Rawls te lezen en zich zijn sleutelformule ‘rechtvaardigheid is billijkheid’ eigen te maken. Zeeman was dat alles en nog veel meer.
Hij was een welbespraakte voorvechter van de canon, en dat in een tijd dat dat nog helemaal geen populair standpunt was; een begaafd moderator van vaak lastige kunstkritische en cultuurpolitieke debatten, bijvoorbeeld over het verval van de kunstkritiek of over de vraag welke maatschappelijke eisen de overheid aan kunstsubsidies mag verbinden. En hij was in bijna alles wat hij deed en schreef een geboren docent en een groot voorvechter van het onderwijs als klassiek beschavingsideaal.
In de vaderlandse intellectuele wereld bestaat het gevaar dat een dergelijke brede scope niet serieus wordt genomen: wie weet nu alles van alles? Niemand, natuurlijk, maar het specifieke van Zeeman was, dat hij daar consequent en fanatiek naar op zoek was. Een onderzoeker die schreef, en een schrijver die onderzocht – en dat tegelijkertijd en vaak tot op het bot.
Terugkijkend op het werk van Michaël Zeeman kwamen de samenstellers van de schitterende bloemlezing Aan mijn voormalig vaderland tot een voor de hand liggende maar niettemin onthutsende conclusie. Het overgrote deel van het kritische en essayistische nalatenschap van Michaël Zeeman heeft ‘gewoon’ in de krant gestaan: stukken van 2000, soms zelfs 3000 woorden. Wie nu het krantenlandschap overziet kan zich bijna niet meer voorstellen dat de krant nog zo kort geleden het vehikel voor dat indrukwekkende en consequent volgehouden beschavingsoffensief is geweest. Het is het beste, impliciete bewijs voor de terechtheid van zijn zorg om de cultuur als alledaagse noodzaak.
In een aangrijpend opstel beschrijft Zeeman met een ontredderende openhartigheid een kort verblijf in Pulicat, India. En daardoorheen schemert het begin van een inzicht in zijn precieze positie als literator. Hij heeft heimwee, gruwelijke heimwee, gevoed door een stuitende omgeving van armoede, verval en verdwenen normbesef. Mensen doen hun behoeften op straat, open en bloot ‘Nooit eerder had ik een vrouw zien schijten, ik bedoel naar de letter’. Hij schetst een beeld van een samenleving in verval, armoedig, normloos, en hoe hij daarin – letterlijk via de drek – zijn weg moet zoeken. De lezer voelt de walging van de estheticus, maar meer nog begrijpt hij dat de schrijver Zeeman het niet kon opbrengen anders dan vanuit een afstandelijke positie de wereld om hem heen waar te nemen en de borstwering van de klinische beoordeling nodig had om overeind te blijven. In dat commentaar op de wereld ging al zijn creatieve energie zitten; er was weinig over om vanuit het niets, dat wil zeggen vanuit zichzelf, te scheppen. Wonderlijk, voor iemand die zo goed kon schrijven en zoveel te zeggen had.
Ik ken het werkproces van Michaël Zeeman niet, maar het moeten geen grote schema’s en verhaallijnen zijn geweest die de basis vormden van zijn verhalen. Zeeman schreef aus einem Guss en dat verklaart misschien mede waarom die roman nooit af kwam of de verhalen bleven steken in de aanzetten die te lezen waren in zijn essays, kritieken, lezingen. Michaël Zeeman wilde veel zeggen en wilde dat vooral snel zeggen. Natuurlijk is er geen spoor van bewijs en God verhoede dat er zo iets als predestinatie is, maar opvallend is het wel dat een man die n’importe welk concept van welke roman of verhaal dan ook moeiteloos zou kunnen internaliseren om dan te gaan schrijven, daar niet toe kwam. Er zullen veel verklaringen zijn, de mijne is dat Michaël te veel te zeggen had om zich gedurende langere tijd de schematische beperkingen van een boek te laten opleggen. Ook al heeft een dag voor uitzonderlijke mensen 25 uur; daar blijft het dan ook echt wel bij.
De reis door India levert Zeeman nog een ander inzicht op dat hij in het lucide essay ‘Met twee maten’ in februari 2000 publiceert. Hij memoreert zijn recensie van Rushdies Haroun and the Sea of Stories en wat een prachtig – en oorspronkelijk – beeld hij dat ‘zee van verhalen’ had gevonden. Maar dan stuit hij in een boekenstalletje op een uitgave van een Sanskritische tekst waarin dat beeld al vele, vele jaren geleden wordt gebruikt, en hij begrijpt tot zijn ‘peilloze schaamte’ dat het een cliché is, ‘een solide verankerde culturele referentie’. En het boetekleed dat hij aantrekt is Zeemanniaans: ‘Wij zijn incompetente beoordelaars, we hebben, hoeveel we ook gelezen, beluisterd of gezien hebben, altijd te weinig, gehoord of gezien’. Het essay behandelt het onvermogen om de literatuur van ‘andere’ culturen te doorgronden – niet zozeer voor de welwillende leek, maar voor de beoordelaar. En ook niet alleen literatuur, in feite alle geestesproducten die we beoordelen vanuit een projectie van onze eigen, in de locale cultuur gewortelde verwachtingen en verlangens. ‘Alle cultuur is context, alle cultuuruitingen, alle kunstwerken bestaan bij de gratie van een hoogst ingewikkeld systeem van verwijzing’. Wie die context niet kent, is niet in staat tot een kwalitatieve beoordeling. En wat dan resteert is interpretatie, de Nietzscheaanse val staat wagenwijd open en de beoordelaar loopt er met open ogen in: een zee van misverstanden is zijn deel.
‘Migratie verstoorde de mogelijkheid van referentie’, zegt hij in een opstel over de canon, in december van datzelfde jaar 2000, ‘emancipatie die van hiërarchische of ordenende verhouding. Die twee, door elkaar heen lopende bewegingen forceerden een grote onzekerheid in de omgang met cultuuruitingen, hetzij oud, hetzij nieuw, en ze werden nog versterkt door een generieke en stellig ook sociaal bepaalde kenniskritiek die op veel terreinen tot een mismoedige, apathische scepsis leidde. Anything goes werd het devies van iedereen die geen beslissing kon of durfde nemen’.
Een predikantenzoon uit de Ariège bouwde een République des Lettres, waarvan veel later een andere predikantenzoon, uit Marken zo een illustere inwoner zou worden. Ruim 300 jaar na de dood van Pierre Bayle ontvluchtte Michaël Zeeman het land waar die republiek was gesticht, maar dat hij niet langer als de Grande Arche des Fugitifs wilde beschouwen. Hij bouwde verder in Rome en zou verder hebben gebouwd in Berlijn, een Europeaan met strenge opvattingen over cultuur, over waarden, precisie, zorgvuldigheid en duidelijkheid, over het bevorderen van de beschaving.
Het is misschien veelbetekenend dat hij overleed op het moment dat Alessandro Baricco begon aan De Barbaren, zijn essay in feuilletonvorm, waarin hij beschrijft dat de paradigma’s verschuiven, dat sequentiële, snelle kennisverwerving op een zelfde waarde wordt geschat als een lange studie van één onderwerp; en dat op een moment dat we ons rekenschap moeten geven van de mogelijke noodzaak tot een andere beoordeling en waardering van cultuurvorming, zoals Baricco voorspelt. Is dit het einde van de romantiek? Het definitieve einde van intensieve betrokkenheid, van bespiegelingen, van het ‘verticale’, van het verwerven van kennis en inzicht door langdurig en intensief na te denken en veel en lang te lezen? Als dat zo is, is de dood van Michaël Zeeman des te schrijnender en zou hij de laatste ontvanger van de Pierre Bayle prijs voor de Cultuurkritiek zijn.
Kees Weeda, Oktober 2010
Pages: 1 2